Nederland O Nederland 2017-07-03T14:27:17+00:00

Nederland O Nederland

Nederland O Nederland

Essay

Marisca Milikowski Juli 2000

De wedstrijd liep niet zoals hij zou moeten lopen. Achter het doel, in het vak van de supportersvereniging, schreeuwen wij ons lens. Telkens opnieuw zet het hoempa orkestje schuin achter ons een strijdlied in en telkens opnieuw komen we met ons allen overeind. ‘Sta óp als je voor Holland bent’ – en daar gaan we weer. En nog eens, en nog eens. Op het laatst wordt er enkel nog gestaan. En gescandeerd. En gezongen. Steeds desperater; een deun die zich losmaakt van de verrichtingen in het veld en enkel nog maar wil, wil, wil. Als laatste redmiddel zetten wij vlak voor de strafschoppen het Wilhelmus in. Maar het is vergeefs, alles is nu vergeefs.
Verdoofd van de klap en leeggestreden zitten wij na afloop in onze stoeltjes en staren voor ons uit. Aan de overkant, waar de Italianen een feestje vieren is door de rand van het dak van de Arena nog een stukje zon te zien. Dag zon. Tot over twee jaar misschien.
Als ik wat later aan het Kruispunt bij de Spaklerweg wacht op mijn dochter die haar spullen ophaalt bij De Toekomst komt het neon langzaam op. Gezeten op een betonnen wegversperring voor het fietspad zie ik de oranjedroom verwaaien. Een paar fietsers, nog half in Holland kledij, nemen zwijgend de situatie op en wijken uit over het gras. Bussen Italianen trekken op bij het stoplicht en rijden op de weg voorbij, toeterend en zwaaiend. De vrolijkheid wordt afgevoerd, the party is over.
In Rotterdam, twee weken eerder tegen de Denen, kwam het feest net goed op gang. De feestelijkheden komen ons al tegemoet bij het station. Wat een hoeden! Mijn dochter koopt er een met bellen, zodat ze nu van top tot teen oranje is. Ik leen haar sjaal en vraag aan een meisje waar ze die oranje rood wit blauwe bloes vandaan heeft. Even later voeg ik mij passend gekleed in de menigte. Voor de passende stemming zorgt de tram. Wat komt daar in godsnaam aan? Dat is lijn 23, naar de Kuip. Hij springt, hopst en kronkelt over de rails. Machteloos grijnzend heft de bestuurder van de joelende rups zijn handen. Niks aan te doen blijkbaar. In zo een staan wij even later ook. ‘En van je hela hela hela holala’ – daar gaan we, dansend over de rails op naar het stadion waar zich in de tweede helft onder een prachtig opkomende maan de verlossing zal voltrekken.
Na afloop is er het gedrang en geschuifel van tevredenen die niet meer kijken op een uurtje wachten voor de trein. Vlak naast mij staat een vader met op zijn schouders een jongetje met een opblaasdolfijn en oranje t-shirtje aan. Die vader is in zijn gewone kleren. Wacht maar, denk ik. Over twaalf jaar loop jij er ook zo bij.
Nederland was los. Iedereen zei nu deze woorden. ‘Ze zijn los’, had mijn dochter bij 3-0 verklaard en De Telegraaf riep het om, de volgende morgen: ‘De leeuw is los!’. Met Joegoslavië, 6-1, was het beklonken. Totaal helemaal los. We leefden in de wolken en keken op naar de sterren die het zeggen mochten. Nu eerst even genieten van de toekomst, had Johan Cruyff gezegd bij de bespreking van het spektakel, en dat deden we. De toekomst! Dertien dagen hebben we haar mogen houden, om mee te doen wat we maar wilden.

Nederland telt meer dan een miljoen schrijvers. Dat heeft de Stichting Schrijven in 1998 met behulp van het NIPO vastgesteld. De meesten, 620.000 vrouwen en mannen, schrijven gedichten. Maar er werden ook 372.000 producenten geteld van korte verhalen en essays, 60.000 romanciers, en 248.000 schrijvers van lid- en toneelteksten.1 Het kan niet anders of daar zitten voetbalkijkers onder; honderdduizenden, vermoedelijk. Wat hebben al die medeschrijvers ervan gemaakt, vraag ik me af. Wat staat er allemaal te boek en wat heeft de auteurs het meeste getroffen? Ik durf er wat om te verwedden dat aan de dubbele buiging van Van der Sar voor Patrick Kluivert heel wat woorden zijn gewijd. Het zoeken is natuurlijk naar de mooiste formulering. Laat ik eens wat uitproberen. ‘Prins Alex, door Cruyff herhaaldelijk tot zitten gemaand, zag dat het goed was toen de lange Sar niet een maar tweemaal boog voor de majesteit van Patrick Kluivert’. Een beetje te misschien. Maar toch – deze Prince van Oranje moet er in – alle Prinsen van Oranje moeten erin. Het is gezien, nu de vertaling nog. Wat doen we bijvoorbeeld in dit verhaal met het Wilhelmus, vraag ik me af. Want hoe fantastisch is dat niet, deze massale kan-me-niet-schelen omhelzing van de mysteriën van de Opstand. Duits bloed, wel ja, waarom ook niet. En dan kan die Spaanse koning er ook nog wel bij. De tram op zaterdag, daar lijkt het wel wat op.
Op de vraag of zij ‘ooit op een of andere wijze de aanwezigheid van een hogere macht, hogere kracht of God’ ervaren hebben antwoordt 32 procent van de Nederlandse volwassenen: ja, ik weet zeker dat ik dat wel eens ervaren heb. Vijftien procent zegt misschien, twaalf procent kan het niet zeggen. Zij die met stelligheid verklaren zulks nooit ervaren te hebben vormen, met 41 procent, een redelijk grote minderheid (2). Maar waar zaten al die mensen tijdens Euro 2000? Het mooie van religie is dat het een methode is om, zoals de filosoof Herman Philipse in een interview zei, ‘langs niet-empirische weg de waarschijnlijkheid te vergroten dat iets gebeurt’ (3). Van dergelijke methoden werd tijdens het EK door de Nederlanders gretig gebruik gemaakt. Aan de vooravond van de wedstrijd tegen Italië legde De Telegraaf mensen de vraag voor wat ze voor de overwinning over hadden en wat ze er zelf aan deden. Niemand zei: wat ik doe of denk houdt met de uitslag geen verband. Iedereen deed iets. Er werden offers beloofd aan de goden, er werd meegestuurd. Het hoogste bod kwam van een man die twee jaar van zijn leven wilde geven voor de cup, maar op zulke dramatische gebaren rust geen zegen, dat voel je direct. Meer ter zake leek me de aanpak van sportverslaggever Hugo Walker. ‘Ik zeg niks, want we worden het gewoon’, zei hij. ‘Ik kijk altijd met mijn zoons en we hebben een geheim wapen. Een grote oranje leeuw die mijn vrouw moet vasthouden gedurende de wedstrijd. Als ze hem even loslaat krijgt ze van mij of van mijn zoons direct op haar duvel, want dan gaat het fout.’ Aan Willebrord Frequin valt op het eerste gezicht ook weinig te verwijten. “Wij kijken met een vast clubje, vier echtparen. Een indringer heeft ooit verlies opgeleverd, dus dat gebeurt niet meer. Als het nu tijdens een wedstrijd fout dreigt te gaan wisselen we van stoelen, of we drinken meer of zo. (4)’ Dat of zo had er beter niet bij gekund. Nu lijkt het namelijk of het Frequin-team zijn methoden lukraak kiest en af en toe iets wegdoet wat niet werkt; een aanpak zonder theorie of visie. Laat Johan Cruyff het maar niet lezen.

Bewegende eilanden

‘Ik heb een verschrikkelijke hekel aan iemand die beweegt, maar niet weet waar naartoe,’ zei Cruyff ooit tegen een verslaggever. Hij had het natuurlijk over het veld waar, meent hij, te weinig gewerkt wordt zonder bal. Bovendien wordt dat werk als het gebeurt niet door verslaggevers gezien (5).
Dat komt natuurlijk omdat het moeilijk is. Op een van de eilanden van Oceanië, in de Stille Zuidzee, leeft een kanovarend volk waarvan de schippers zonder kompas op zee de weg weten te vinden naar eilanden ver achter de horizon, op vele etmalen varens bij hen vandaan. Zon, maan, sterren en planeten wijzen dag en nacht de weg, ook als je ze niet ziet. Een goede schipper weet waar en wanneer Venus die dag opkomt en dus ook waar dan het Zuiderkruis moet staan – dat is namelijk een wet. Op basis daarvan hebben ze hun eigen methode van ‘dead reckoning’ ontwikkeld, die ze het systeem van de bewegende eilanden noemen (6). Je moet even vergeten dat je vaart, is het idee. Niet jij beweegt, maar de eilanden, die met onzichtbare touwtjes door de hemellichamen worden voortgetrokken. De kunst is om je zo te positioneren dat het beoogde eiland naar je toe getrokken wordt. In feite hoef je dan alleen maar op de juiste plek gaan liggen – de rest gebeurt vanzelf.
Zulke dingen zegt Johan Cruyff ook. Voor hem is het glashelder en de kijker denkt: ik zie ik zie dat jij iets ziet, maar hoe komt ik erbij? Het is te moeilijk, te abstract, dit stelsel van onzichtbare bewegingen waaraan hij refereert. Dus zegt hij het nog een keer, de taal plooiend naar wat er zojuist te zien was, of oprekkend naar hoe hij het – volstrekt logisch! – zou willen zien. Die taal! Volgens Lucebert komen we er niet ver mee voor doelen als deze. ‘De schoonheid van een meisje of de kracht van water en aarde zo onopvallend mogelijk beschrijven dat doen de zwanen’, zo stelt hij vast (7). Maar net als de dichter zelf blijft Johan Cruyff het toch proberen.

Voetbaltaal

In zijn Brieven aan Frank Rijkaard vertelt David Endt het verhaal van een vakantie in Suriname. Het was 1970, hij was zestien, en was samen met zijn Surinaamse moeder en zijn Nederlandse vader op reis. Op een dag werd er een trip naar een dorp in de binnenlanden gemaakt, en David mocht mee. Hij keek zijn ogen uit. Alle mensen liepen daar in lendendoekjes, ook de meisjes, hun borstjes bloot. Logisch eigenlijk, dacht hij, in die hitte. Want het was verschrikkelijk warm. Toen het tijd voor de siësta was begaven de dorpelingen zich naar een open plek in het oerwoud waar, zo bleek, twee uit planken en takken opgetrokken doelen tegenover elkaar stonden. Even later draafden 22 voetballers het terrein op, ‘ondanks de middaghitte in volledig tenue. Shirts, broekjes, wollen kousen, en sommigen met voetbalschoenen. Er werd begonnen aan een uiterst fanatiek partijtje voetbal.(8)’
De eigen ervaring die ik hier wil vertellen is uit de zomer van 1998, toen ik een conferentie vol wetenschappers bezocht in Tampere, Finland. Het WK was aan de gang, hoewel slechts mondjesmaat in Finland, dus ik vroeg bij de receptie van het hotel of ze een plek wisten waar ik de wedstrijd Nederland – Joegoslavië kon zien. De dames verwezen me naar een Ierse pub, O’Connor, tegenover het station. Ik meldde me daar een uurtje voor tijd en vroeg aan de barman of hier straks voetbal werd gekeken. Jazeker, zei hij, uiteraard. Dat is mooi, zei ik, want ik moet Holland zien. ‘Goedenavond’ klonk het daarop uit een stoel bij de tv. Een Nederlander? Nee, het bleek een grote Schot te zijn, die jaren in Eindhoven had gewerkt – wat ik niet verkeerd moest opvatten, want hij was voor Ajax. De Schot bleek goed Nederlands te spreken en hij was de enige niet daar. Later dook nog een Finse hoteleigenaar uit Lapland op die eveneens Nederlands sprak en mij een beetje onder zijn hoede nam.
Al met al was het een flinke groep, en de eigenlijke taal was voetbal. De conversatie bewoog zich moeiteloos door tijd en ruimte. Natuurlijk herinnerde de Schot zich de finale uit ’74 tegen Duitsland. Wat een tragedie. Het beste Nederlandse team ooit – hoewel. Er wás iets voor die ploeg van ’88 te zeggen. Van Basten immers. Maar ja Cruijff – hoe dan ook, als mensen nu Maradonna de beste speler ter wereld noemen wist hij zo twee betere: Cruijff en Van Basten. Dat is natuurlijk leuk om te horen, als je in het buitenland bent. Ware ik Frans geweest, dan had ik misschien een lofzang op Zidane gehoord, en was Platini er wellicht als allerbeste uitgerold. Wie weet? Maar ik was Nederlands en Nederland speelde.
Bergkamp was populair bij deze liefhebbers, hoewel men plaatsvervangend floot toen hij ongezien door de scheidsrechter met zijn noppen boven op Michaelowitch ging staan. Er was daar immers ook een Joegoslavische vriend, met rode zakdoek om het hoofd, die niet onnodig pijn hoefde te lijden. Treurig nam hij na het eindsignaal zijn zakdoek af. Voor wie ga je nou zijn, vroeg ik. Voor Holland, zei hij. Vergeefs helaas, ook die support. Maar toen dat bleek zat ik weer thuis.
Intussen werd terwijl ik in Finland was nog wel de wedstrijd tussen Engeland en Argentinië gespeeld. Surprise: de enige warme support voor de Engelsen komt van een groepje Finse jongens die zich modelleren naar de Engeland fans van de tv en voor de gelegenheid wit-rode vlaggen op hun gezicht hebben getekend. Dat de aanwezige Britten Argentinië steunen valt hen koud op het dak. ‘Ik ben voor elk land dat tegen Engeland speelt’ verklaart de Schot. ‘Zelfs als het Duitsland is’. Hoe is dat nu mogelijk? De schot legt het uit. De Finse jongen denkt het te begrijpen. ‘Dus zoiets als wij voelen over de Zweden’, zegt hij. ‘Erger’, zegt de Schot. ‘Jullie hebben nu een vrij land. Wij niet.’
Enige tijd geleden beklaagde socioloog Kees Schuyt zich in zijn column in De Volkskrant over de slechte manieren op de vaderlandse voetbaltribunes (9). Hij was naar een wedstrijd van HVVgeweest en wat hij daar allemaal hoorde! ‘Elk fluitje en besluitje wordt aangevochten op bijna exact dezelfde manier als je dat op de tv ziet gebeuren bij de ‘grote’ wedstrijden van de kampioenen’, aldus Schuyt. Erger nog was het geschreeuw op de tribune, vooral van jonge jongens. ‘Wat eens in oude tijden de bloem der natie genoemd werd, de jeugdige aanhangers van de grote beschaafde Haagse clubs, is nu een krijsende troep, die bij elke beslissing die niet in het voordeel van de eigen partij uitvalt, de meest smerige woorden in de richting van de scheidsrechter verzend’.
Het interessante in die pub vond ik nu juist dat de Finse jongens die misschien ook wel een beetje gekomen waren om eens lekker grof te mogen doen, meteen werden gecorrigeerd als ze het probeerden. ‘Watch your language’, zo maant een Ier een van de jonge Finnen die in zijn support voor Holland over de schreef gaat. Let op je woorden. Het vermaan werkt, en de jongens snappen het ook wel. Daar zit immers aan het volgende tafeltje die Joegoslaaf, die zulke nare woorden niet verdient. Bovendien: ze willen hier nog wel eens vaker kunnen komen.
Verval van tolerantie en objectiviteit – het doet zich voor, daar heeft Schuyt gelijk in. Maar inherent aan het voetbal is het niet. Je zou net zo goed het omgekeerde kunnen beweren. Want waar vind je dat buiten de sport, zo’n harde strijd volgens eerlijke regels? Bovendien: over gescheld en geschreeuw, over vechtpartijen langs de lijn en buiten het stadion lazen we als kind al in de AFC van J.B Schuil; sterker nog, ook mijn ouders lazen daarover al als kind in de AFC- ers van J.B Schuil. Zo nieuw kan het verschijnsel dus niet zijn.

Tijdgeest

Je weet dat je bang bent doordat je wegloopt, zegt de James-Lange theorie van de emoties. Meestal denken mensen dat het andersom is: je ziet een beer, je wordt bang, en daarom loop je weg. Maar William James zag dat anders. Eerst komt het weglopen, en dan het besef van angst. Op die manier gaat lijkt me ook de tijdgeest te werk. Je denkt niet ‘kijk, dit is blijkbaar mode’ en besluit vervolgens mee te doen. Nee, je doet mee, en constateert dan dat het blijkbaar mode is. Een kleur blijkt toch mooier dan je nog kort geleden dacht. Een spel is toch wel leuk.
Wie of wat sturen dit alles? De media en de commercie spelen een rol, soms een heel grote, bij het kiezen van wat leuk moet worden en bij de verbreiding ervan, maar ze kunnen echt niet alles voor elkaar krijgen. Vroeger al, herinner ik me, had je het mysterieuze verschijnsel van de ‘tijden’. Ineens was het toltijd. Hoe wist je dat? Omdat je ook een tol wou. Dan was je weken als bezeten aan het tollen – iedereen tolde – en dan was het over. Straks, wist je dan vaag, werd het misschien springtijd. Of knikkertijd. Of hinkeltijd, dat was ook leuk. Dan moest je krijt hebben en een lekker blok, zoals Sien dat van de timmerman kreeg. Zulke attributen werden dan ineens enorm begeerlijk. En in de speelgoedkast bleek gewoon nog een zak stuiters te liggen, van vorig jaar! Ongelooflijk rijk was je daar ineens mee. Gekocht werd er toen nog weinig. Een paar meter touw bij de ijzerwinkel, dat wel, want springtouw slijt behoorlijk. En ook wel eens een tol of twintig kralen om te bossen en je zakken mee te vullen. Maar er was niet zoveel geld in omloop in de jaren vijftig en het bereik van zo’n mode was denk ik niet zo groot. Ik kan me niet voorstellen dat mijn knikkertijden samenvielen met die van de kinderen in den Bosch. Waarom zouden ze ook? Er was geen tv om de boel op elkaar af te stemmen en aan te jagen.
Volwassenen bemoeiden zich toen so wie so veel minder met die dingen. Ze vonden het wel best. Veel geld kostte het niet, hoewel soms wel wat gezoek. Waar is die tol die ik vorig jaar had? Een paarse was het, maar ik kan hem niet vinden! Dozen vol speelgoed werden omgedraaid – en waarachtig, daar lag de paarse tol tussen de blokken. Over wie vervolgens die blokken moest opruimen zal ik het maar niet hebben. De tol is terecht dus nu kan er eindelijk getold worden.

Herkenning

Waarom speelt voetbal nu de rol die het doet, in het leven van zoveel mensen? Die vraag kun je op twee manieren bekijken. De ene kwestie is waarom mensen voetballen en voetbal kijken. De andere kwestie is waarom nog veel meer mensen in dat voetbalverhaal gezogen worden; waarom tijdens zo’n EK half Nederland voetbal praat en voetbal denkt.
Waarom bepaalde mensen graag voetballen en naar voetbal kijken is eigenlijk geen zinnige vraag. ‘Tegen een stukkie leer trappen’ is net zoiets als ‘met je neus in een boekie zitten’: de een doet het graag, de ander niet. Wie wil er nou 5000 pagina’s lang over een bureau lezen? Verrassend veel mensen, zo blijkt. Zoveel dat Van Oorschot er op een gegeven moment de rem op moest zetten, want het dundrukpapier was niet meer aan te slepen. Hoort u dat, Louis Couperus? Dat ging in uw tijd anders. Van Van oude mensen de dingen die voorbij gaan, verschenen in 1906, was in 1944 de eerste druk van 2500 exemplaren nog steeds niet uitverkocht (10). Ter Braak en Du Perron konden hun beste werk vaak aan de straatstenen niet kwijt (11). Maar zo ver hoeven we niet eens terug te gaan; een zelfde lot trof Voskuil zelf. Van Bij nader inzien, verschenen in juni 1963, was de eerste druk na twintig jaar nog steeds niet uitverkocht. Maar Meneer Beerta werd in 1996 onmiddellijk een hit. Hoe moet je zo’n verschijnsel nu opvatten? ‘Blijkbaar werken veel mensen op een bureau’, was de verklaring die Voskuil zelf eens gaf (12). Dat was een goeie. Misschien is het voetbal nu zo populair omdat iedereen voortdurend een wedstrijd speelt.

Personages

Maar in de eerste plaats is voetbal gewoon spannend, en ook zonder jarenlange studie goed te volgen. Het is niet moeilijk om een beetje mee te doen. De bal moet erin, en verder zijn er nog wat regels die elke kijker op den duur wel leert. Eenmaal heeft iemand me verrast door op te merken, na een wedstrijd op de tv, dat hij altijd had gemeend dat Overmars een spelregel was. Zo hoorde hij dat dikwijls roepen door die commentator: ‘Overmars!’ Een goeie grap, maar zo eenvoudig laten we ons heus niet in de maling nemen. Een spelregel, kom nou.
Zo’n wedstrijd heeft wel iets van een actieserie. Elke aflevering is een drama apart, dat in zeven kwartier wordt afgewerkt: tijd om, punt uit. De voetballers verlaten het veld. Maar dat is nu zo aardig: als personages in de nationale soap komen ze even later toch weer op. Prachtige rollen zijn daarbij. Wie herinnert zich niet de Beenhakker-performance uit 1990, toen hij met pleister en bulten op het gezicht voor de camera’s verscheen na een gesprek in de kleedkamer? De blik van Edgar Davids toen hij na zijn rel met Hiddink in die geblindeerde auto stapte zal ik ook niet licht vergeten. En wat dacht u van zijn Wilhelmus optreden? Toen hij eenmaal meedeed zong hij Frank de Boer zo van het scherm. Die Nike commercial mocht er overigens ook wezen.
Frank Rijkaard vond ik het sterkst tijdens zijn act met de bal in Villa BvD. ‘Als Frits nu even daar wil gaan staan, nee nog een eindje verder, bij die schutting… ja blijf daar nu even staan.’ En daar stond de arme Barend, huiverend in de regen, terwijl de coach, bal in de hand, een inleiding hield over simpel aanspelen en waarom dat zo goed was. ‘En dan speel ik nu de bal naar hem toe, simpel binnenkant voet, en dan wou ik Frits vragen er wat moois mee te doen’. De plotse voorzet wordt gemist, en Barend loopt na balverlies terug naar zijn stoel. Dat was leuke televisie.
Zo herinner ik me ook Kluivert, als prille achttienjarige, met Harrie Vermeeghen in een bootje op de plas. Ze hadden hengels bij zich, want iets te praten viel er niet; dat had Van Gaal verboden. ‘Dus je zegt echt niks?’ vist Harrie. De jongen schudt zijn lachend zijn hoofd. Die brede lach is nog hetzelfde.

Bergkamp evenwel baart allerwege zorgen. Die jongen wordt steeds smaller, lijkt het wel; een ijle streep is het. De naam kan bijna niet meer worden uitgesproken. Jan Mulder sprak, heel voorzichtig, over een zekere speler die toch zo goed zou kunnen zijn, wat is er toch met hem aan de hand? En Rijkaard, niet rakend aan het broze ding dat Bergkamps presteren is, zei dat hij hoopte – er waren tekenen – hij had juist die middag een gesprek met hem gehad – een heel mooi gesprek was het geweest – geen lang gesprek, maar zeker ook geen kort – en in dat gesprek was bij hem het gevoel gewekt – en hij hoopte en dacht ook wel dat B. dit gevoel deelde – het gevoel dus dat het wel goed zat nu op dit moment. Bergkamp als wolk, een prachtige schets. En toen kwam die regen tegen Joegoslavië.

Mooi is ook het thema afzien, liefst met wat armoe erbij. Marc Overmars, heb ik begrepen, groeide op in een soort hut, waar in de winter de vorst door de kieren kwam. Peter van Vossen trapte dag in dag uit door het gure Zeeuwse land naar verre voetbalvelden, helemaal in zijn uppie want zijn vader wilde nooit mee. Waar vind je tegenwoordig nog zulke verhalen?

Nog zeven jaar en dan

Op een vroege ochtend in maart zat ik in een koffiebar op Schiphol te wachten op de espresso die mijn echtgenoot stond te bestellen aan de bar. Tegenover me aan het tafeltje zat een jongeman gelaten voor zich uit te staren. Gaat u ver weg vroeg hij ineens. Naar Florida, zei ik. Jee, dat leek hem ook wel mooi. Hij was nog nooit in Amerika geweest, maar het leek hem prachtig. Ik vroeg waar hij naar toe ging. Naar Sheffield. Voor je werk? Ja. Wat doe je dan? Ik ben voetballer, zei hij. Voetballer! Bij Sheffield Wednesday? Jongen, riep ik, gefeliciteerd! Hij glimlachte zwakjes. Maar hoe heet je dan, vroeg ik. Gerald Sibon, zei hij.
Mijn mond viel open. Daar zat, ineens, tegenover mij Gerald Sibon, Gerald Sibon, Ge-rald, Ge- rald, Gerald Sibon, de heengezonden hoop van Ajax, de lieveling van de F-side. En de jongen zat te kniezen. Hij verveelde zich te pletter in Sheffield, zei hij. En nu gingen ze ook nog degraderen. Nou ja, nog zeven jaar, dan kon hij stoppen. Daar hield hij zich maar aan vast. En wat ga je dan doen, vroeg ik. Dat wist hij nog niet. Wat meer op stap met z’n vrouw, dat zeker. En later – postbode misschien. Lekker met zo’n karretje langs de huizen, daar dacht hij wel eens aan.
‘Het draait allemaal om geld’, hoor je geregeld en aan de ene kant is dat waar. Maar welk mensenleven draait er nu om geld? Geld moet om – ja wat. Om weer te kunnen stoppen. Die jongens die het voor hun 33ste gemaakt en gedaan moeten hebben – dát is nu het leven. Vroeger hoefde alleen Jezus dat. Maar voor is een spits was die al oud.
‘Geen succes zonder opoffering, geen succes zonder strijd’ zei Frank Rijkaard over Overmars, die weer een wedstrijd op rechts had moeten spelen. Nou, nou. Welk jaar was dit ook weer? Het antwoord is natuurlijk: any year. Maakt niet echt uit. Tijdloze lessen, leert ons het voetbal. Zoals die van het geld, dat niet gelukkig maakt. Hoe mooi zou de Arena wel niet worden, door Ajax op haar meest recente hoogtepunt betrokken. En daar staat hij dan, die wonderschone UFO die helaas niet stijgen wil; dat kolos waar, in de woorden van mijn dochter, de mensen vooral lijken te dienen om de gaten in het beton te vullen; deze triomf van geluiddempende architectuur, waar je echt als gekken moet schreeuwen om nog gehoord te worden. Nee, de Arena maakt niet gelukkig.

De tijdgeest, dat zal wel, maar die tijdgeest geeft tegenstrijdige signalen af, zei een collega laatst. En dat is zo. Voskuil scoort met een boek waarin zes delen lang niemand van zijn plek komt. Niets en niemand. Zo wilde Maarten Koning het hebben en zo heeft hij het voor elkaar gekregen. De wereld komt langs, maar krijgt geen entree, punt uit. Wat een macht! Zo zouden we het allemaal wel willen – soms. Maar zo is het niet. Om je plek te behouden moet je steeds vaker in beweging komen.
‘No time for losers’ galmt het door de stadions en iedereen zingt mee. Na tweemaal vijfenveertig minuten zal de helft in rouw gedompeld vertrekken. Maar denk eraan: no time for losers, ofwel: verliezers kennen wij hier niet. Morgen al moet het hoofd weer worden opgeheven, moet de aandacht opnieuw worden gericht, moeten de krachten opnieuw worden gemobiliseerd, want nu is wedstrijd van morgen. Tobbers kunnen we in deze wereld niet gebruiken. Die instelling heet professioneel.
Marx noemde ooit de godsdienst het hart van een harteloze wereld, de ziel van zielloze toestanden. Voor Ien Ang was dat Dallas, en misschien is elke volkscultuur dat wel (13). Hart en ziel – het voetbal gáát over hart en ziel, dat is wel zeker. De passie, de strijd – hier wordt het menselijk lot verbeeld in eigentijdse setting. Het ligt allemaal wijd open; de tijdgeest voor wie Koning de deur op slot doet waait onbelemmerd door de stadions.
Maar tegelijk blijft alles bij het oude. In Hoe de Katjangs op de kostschool van Buikie kwamen, van J.B. Schuil al weer, moet uiteindelijk zélfs tante Santje, de moeder aller voetbalhaters, zich gewonnen geven. Samen met vader Lomans zit zij op de tribune als de gevreesde linkervleugel van AFC, gevormd door onze helden Eddie Lomans en Tom Reedijk, in het oranje aantreedt tegen de Belgen. En in het heetst van de strijd gebeurt wat boekenlang onmogelijk leek: tante Santje staat op en roept hup (14). Nu is Eddie haar neef, dat scheelt misschien. Hij is familie. Maar wie is tegenwoordig niet allemaal familie?
In de Kuip, tegen de Denen, dook op onze rij ineens een bekende op, een jonge collega, in tweeslachtige uitdossing. Op zijn hoofd droeg hij een opzichtige oranje hoed. Maar daaronder droeg hij een rood T-shirt. Wist je dat niet, ik ben een Deen, zei hij. Toen de wedstrijd begon deed hij de hoed af, en steunde Denemarken, als enige in een vak vol Hollanders. Na afloop vroeg ik of ik hem nu moest condoleren. Eigenlijk wel, zei hij. Toen zette hij zijn Holland-hoed weer op en liep naar de uitgang.

Affiliaties

Na de wedstrijd tegen Joegoslavië in de zomer van 1998 dacht de Volkskrant in een commentaar wat na over de betekenis van het Oranjegedoe. ‘Oranje verschaft een saamhorigheid die perfect pas bij het moderne individualisme’, zo meende de krant. ‘We voelen ons even verbonden met het collectief en gaan daarna weer onze eigen gang. Het is een vrijblijvende vorm van saamhorigheid, zonder de verplichtingen die vroeger aan dat begrip verbonden waren.(15)’ Vrijblijvend – ik weet niet of dat het goede woord is. Aan de ene kant lijkt het wel zo. In militaire dienst hoeft niemand meer en die Deense jongen zet gewoon een andere hoed op. Maar is het tussen hem en Denemarken daarmee afgelopen? Nee natuurlijk niet, nooit is dat afgelopen. Maar er is wel iets bijgekomen dat ook om onderhoud vraagt. De andere Denen gingen terug naar Denemarken, hij niet.
Niemand besluit: nu ga ik eens een global village bouwen, hoe richt ik die het aardigst in. Nee, je moet wel, dat is het. De kids vliegen uit, naar Barcelona, naar Chelsea, naar Milaan, naar alle plekken waar tegen betaling wordt gevoetbald. De liefhebber wil ze niet kwijt, en dank zij de tv hoeft dat ook niet. Zo breien ze netwerkjes uit jouw gevoel, van her naar der, dwars over de aardbol. Voor sommige mensen is dat al hun leven lang zo. Mijn voormalige overbuurjongen had voor zijn raam op een gegeven moment twee vlaggen hangen: de Colombiaanse en de Israëlische. De Colombiaanse stond gewoon voor Colombia, waar hij geboren was. De Israëlische stond voor Ajax en misschien, via Ajax, ook wel een beetje voor zijn Nederlandse opa met wie hij zo goed praten kon, en voor zijn vrienden hier. Weinig verplichtingen? Hou op. De televisie komt op veel plekken, maar niet overal. Het Colombiaanse voetbal wordt slecht gecovered, heb ik begrepen, en de trouwe fan die nog eens echt voor Stanley Menzo wilde juichen moest daarvoor zelf naar Lierse rijden. Dat ging nog net, maar wereldwijd is het dikwijls teveel om bij te houden.
En dan zijn er ook nog draadjes met aan het einde niks. Neem nu de Zwolle sjaal, die rondzwerft in het leven van mijn kinderen. Die sjaal was moeilijk aan te komen, want Zwolle staat niet bol van zijn FC. Maar waarom moest er eigenlijk aangekomen worden? Wel, dat is allemaal gekomen door Fred Patrick die een keer in Studio Sport te gast was en met zijn Amsterdams- Surinaamse voordracht over PEC de harten van mijn kinderen stal. Fred Patrick is al heel lang dood – ook hij is neergestort bij Zanderij. Als hij geleefd had zou hij bovendien vast niet lang bij Zwolle zijn gebleven. Maar wel woont in ons huis nu al geruime tijd die sjaal.

De Ajax village

Sommige draden over de wereld lijken meer op kabels; die krijg je met geen mogelijkheid meer stuk. Toen David Endt in 1970 in Suriname vakantie hield had dat land al iets met Ajax, zo blijkt uit zijn Brieven aan Frank Rijkaard. Endt schrijft: ‘Het winnen door Brazilië van de wereldcup, eerder die zomer in Mexico, was een triomf voor Zuid-Amerika, dus ook voor Suriname, dat anderzijds ook vreselijk trots was op Ajax duizenden kilometers verderop. Want Ajax speelde Braziliaans.’16 Nu, dertig jaar later, is Ajax niet meer denkbaar zonder Suriname. Dat land is opgeschoven naar het hart van de global village die het Nederlandse voetbal is – en dus ook naar het hart van Oranje. Iedereen weet dat. Wat iedereen niet altijd zo goed weet is hoe met dat gegeven om te gaan.
Volgens de psychiater Salman Akhtar, geïnterviewd in De Volkskrant, is het vrij eenvoudig. ‘Het is als met een spel kaarten’, zegt hij. ‘Ik heb 52 kaarten, de ene helft in de linker-, de andere in de rechterhand. De vraag is waar de harten zitten. Die zitten verspreid door de hele stok kaarten. Een deel aan de Indiase kant, een deel aan de Amerikaanse. (17)’ Harten genoeg dus, en Akhtar zelf voelt zich daar goed bij zegt hij: honderd procent Amerikaan en honderd procent Indiër maken immers samen een heel mens. Het is gewoon niet anders, en met dat beeld van die kaarten kom je een eind. Hoewel – dertien harten is een oneven aantal. En welk spel gaan we eigenlijk spelen? Dat maakt nogal verschil voor de waarde van een kaart. Goed, we spelen dus Oranje. En Kluivert scoort viermaal en Zenden en Overmars scoren ook. Wie zijn op dat moment die jongens? Dat mag een verslaggever dus even zelf invullen. Voor Overmars deed De Telegraaf het zo: ‘Na elf treffers van de voeten van FC Barcelona kwam Marc Overmars de eer toe als eerste niet-“Spanjaard” te scoren voor Oranje op Europa 2000.’ Fraai gedaan. Maar nu Patrick Kluivert: ‘Een staande ovatie werd het deel van de Amsterdammer op Rotterdams grondgebied,’ schrijft de krant (18). Hetzelfde recept, maar minder to the point hier. Waarom? Het verkeerde verhaal, daarom. Net als die jongen in oranje die op de Lijnbaan liep te roepen ‘Edje is een jood’. Die zat ook in de Ajax – Feyenoord story. Dat mag natuurlijk, maar de triomf van Patrick Kluivert wil liever in een ander verhaal, in het verhaal van de donkere prinsen van Oranje.

Op het randje

In The Laws of the Fathers vertelt de Amerikaanse schrijver Scott Turow het verhaal van Hobie, een hoogst intelligente jongen, die zijn belofte niet helemaal heeft waargemaakt. Hij is een succesvolle advocaat – maar toch. Hobie maakt rare fouten soms, doet onberekenbare dingen, die vaak net verkeerd uitpakken. Hij is zo rusteloos. In het boek praten twee andere personages, die het om weer andere redenen ook niet helemaal gemaakt hebben, over de oorzaken van Hobies relatieve falen. En Seth, een oude vriend, zegt dat Hobie zich voelt als iemand zonder land: het is bij hem ‘the old black thing’ van niet helemaal geaccepteerd te zijn, en te moeten omgaan met hoe kwetsbaar dat je maakt. Waar Seth altijd aan moet denken, vertelt hij, is die ene gebeurtenis. Ze waren toen een jaar of twaalf. Er werd touch football gespeeld, met in het veld ‘ook een of andere grote hufter genaamd Kirk Truhane, die ineens, uit het niets, Hobie een nigger noemde. Hobie was groot, hij was ruw, en hij liep Truhane omver tegen het gravel. En Truhane staat op en zegt dat woord. En ik herinner me dat ik dacht, God dit kan niet echt gebeurd zijn, wat moet ik nou doen. Want hij was m’n beste vriend al toen. En ik bleef nog even doorspelen, zelfs nadat Hobie al weggelopen was, maar tenslotte kreeg m’n geweten me te pakken en liep ik ook het veld af. En ik vond hem achter de school waar hij tranen met tuiten zat te janken. En hij bleef maar zeggen, steeds hetzelfde: “it hurts my feelings”. (19)’ Het kwetst me zo. Dat was de primal scene, dacht Seth: in den beginne was dat woord. Want Hobie kon Truhane best aan. Maar dat woord, dat had hem opgebroken.
Bij dat verhaal zie je ineens ook Clarence Seedorf lopen. Volgens Jan Mulder speelde hij op zijn zestiende als een bedaagde man, ervaren, rustig dominerend op het middenveld (20). In het buitenland speelt hij naar het schijnt nog altijd zo. Maar voor Seedorf in het Oranje houdt iedereen al jaren zijn hart vast. Er is iets blinds in zijn spel geslopen, iets ongecontroleerds, iets desperaats.
En achteraf besef je dat die rust, die hij destijds uitstraalde, er om hem heen bepaald niet was. Ajax en Feyenoord waren eerste clubs die het waagden om veel donkere spelers tegelijk het veld in te brengen, en even, even, wist je zeker dat het een punt was bij de opstelling. Je voelde het ze denken, de bestuurders, de cluboudsten: kunnen we het maken, zoveel zwarte spelers in het veld? Niemand zei het, maar je voelde dat het werd gedacht. En ja, het werd blijkbaar geaccepteerd. Want die jongens maakten het waar en uiteindelijk – dat is dus het aardige van het voetbal – uiteindelijk geeft dat de doorslag. Maar die jongens speelden dus wel op het randje; net aan de goeie kant van de vernedering. En Seedorf, op zijn zestiende debuterend in het eerste, was een van hen.
Toen je dus later, toen ze safer stonden, al dat gepraat over respect kreeg ging dat natuurlijk ook daarover. Een mens wil niet steeds in een afgrond gestoten kunnen worden. In zekere zin geldt die dreiging natuurlijk voor elke topspeler, maar dit is iets extra’s, en nooit helemaal wereld uit. Altijd weer kan er een gek opstaan en dat woord tegen je roepen, vooral als je niet goed presteert. En dan zijn er de associaties met dat woord, waarvan je ook weer niet altijd zeker bent. Wat wordt er hier eigenlijk bedoeld? Wordt er wel wat bedoeld? In de meeste bomen zit geen spook, maar in sommige wel en het is nacht dus uitkijken geblazen.
En dan is het toch ineens gezegd, het woord, en wat dan? Je kunt niet voor elke gek de wedstrijd stilleggen zegt de common sense, en ook het respect en het zelfrespect zeggen dat vaak. Want deze woorden moeten niet gaan circuleren op tv, en dat zou je wel krijgen door een publieke ingreep. In Jan en Alleman, van Sawitri Saharso, merkte iemand op dat gewone beledigingen zich tot raciale verhouden als vuurwerk tot een atoombom. Het stilhouden en doorspelen zou je dus kunnen zien als non-proliferatie beleid (21). In het veld schijn je er echter mee te moeten leven. Wat kun je doen? Een looien pak aantrekken, ja, maar spelen is dat niet.
Misschien doelde Patrick Kluivert ook op zulke dingen toen hij jaren terug tegen Obsession zei dat hij wel leuk zou vinden om met enkel Surinaamse jongens te voetballen: dan zou je niet zo op je hoede hoeven zijn. Want als die jongens al eens het woord zeggen is dat juist om het onschadelijk te maken, zoals de Geuzen ook al deden. Niemand anders mag dat zo doen, never.

Hommeles

Van dat interview in Obsession kwam natuurlijk weer eens hommeles. Seedorf was daar al bang voor geweest, en had tijdens het gesprek ook gewaarschuwd: niet op die zwart-wit dingen ingaan, daar komt enkel ellende van. ‘Je kan er niet over praten, je moet er ook niet over praten. In de sport staan kwaliteit en prestatie centraal. Als je presteert maakt het niet uit wat ze over je denken, hoe ze over je schrijven. Dan ben je gewoon de man en dan ben je nummer één en dat is het belangrijkste van alles. (22)’ Maar Kluivert de lichtzinnige praatte er wel over, de redactie drukte het af, en WAM! Daar sloeg de vlam weer in de pan.
Wat had Kluivert nou helemaal gezegd? ‘Met Surinaamse jongens heb je toch een andere band vind ik’, had hij gezegd, en ook dat hij spelen in een Surinaams elftal best leuk zou vinden. Maar de redactie van Het Parool stond bij lezing op haar achterste benen en opende, op de dag dat Oranje in de Arena een WK kwalificatiewedstrijd tegen Turkije moest spelen, de krant met de verraderlijke Patrick. ‘Met het interview in Obsession is de toon voor het WK gezet’, schreef Het Parool. ‘De destijds zoveel besproken kabel blijkt in stilte alleen maar steviger geworden, de aversie gegroeid. (23)’
Jaloerse minnaars overdrijven wel eens vaker. Maar wel moest Seedorf dus na afloop van de wedstrijd, die in 0-0 was geëindigd, genoeg om door te mogen, weer eens redderen. Zo was het niet bedoeld, suste hij, je moet dat in zijn context zien. Dat blad wordt gemaakt voor Surinamers, en die voelen de dingen die met ons zijn gebeurd nu eenmaal scherper. Dus: niks aan de hand, we zijn allemaal Nederlanders, hoe kan het anders. Want stel nu ‘dat dat inderdaad Patricks gevoel zou zijn, dat hij inderdaad het liefste met Surinamers zou voetballen. Hoe zou het voetbalpubliek in Nederland dan reageren? Juist. “Wegwezen met Kluivert”. Als ik zou zeggen dat ik graag voor Suriname zou uitkomen word ik ook midden in de Arena opgehangen.’ Dus daarom, laten we er met z’n allen een punt achter zetten en weer gewoon gaan voetballen (24).

Het is een opmerkelijke passage, waar ik destijds ook al op heb zitten turen. Wat staat hier wel niet allemaal. Misschien, dat zou best kunnen, is zo’n lynchpartij de nachtmerrie van elke speler die week in week uit voor de leeuwen wordt gegooid. Scheidsrechters zouden er ook best last van kunnen hebben. De sfeer in zo’n stadion kan je ongetwijfeld het gevoel geven dat je met pek en veren nog goed wegkomt. En toch, in deze context krijgt die nachtmerrie wel een speciale smaak. Dat komt natuurlijk door de combinatie met het woord, dat niet gezegd wordt maar er wel is.
Seedorf zei het onlangs zelf, in Hoenderloo: dat hij zich nooit volledig voelt geaccepteerd in Nederland en dat dat moeilijk is voor hem. De meeste journalisten respecteerden dat gevoel maar niet Henk Spaan, die Seedorf in Het Parool een rode kaart toediende. Want in een Italiaanse krant had – ten onrechte, naar later bleek – gestaan dat hij de Hollandse sportverslaggevers een stel racisten had genoemd. En dat is ook zo’n woord, waarmee je mensen die dat niet zijn gegarandeerd in de gordijnen jaagt.
Het is moeilijk praten over deze zaken. Dienke Hondius, die voor haar proefschrift gemengde echtparen heeft geïnterviewd, verwachtte voor ze begon dat die mensen wel veel zouden praten over het verschil en wat daar allemaal aan vast zat. Maar wat bleek, ze praatten er juist helemaal niet over (25). Blijkbaar hoort dat bij een normale omgang. Frank Rijkaard is een kind uit zo’n huwelijk. Vandaar misschien dat het met hem als coach zo goed ging met de relaties in het team.

Hart voor het land

Waar de harten van de mensen zich aan hechten in een land, wat weet je nooit helemaal precies. Het zijn in elk geval niet in de eerste plaats abstracte zaken. Plekken komen veel eerder. Over dit land als plek vertelde Hannah Belliot, nu burgemeester van Amsterdam Zuid-Oost, ooit in de Volkskrant een mooi diasporaverhaal, waarin negerslaven, indianen en anderen na eeuwen van verstrooiing de plek hebben bereikt waar zij hun renaissance zullen gaan beleven. Tegen de Surinaamse kinderen zegt zij daarom: houd van dit land.26 En dan bedoelt ze niet in de eerste plaats de staatsinstellingen of de mensen, zei ze later eens tegen mij, maar voor alles het land zoals je dat ziet en voelt en ruikt: het laagland met de plassen, de brede rivieren, de wind en de wolken; dat land. Het heeft geen weet, het heeft geen schuld, het is van jou, dus hou ervan.
Zo op die manier, voorzichtig aan en bottom-up, is ook Kader Abdollah begonnen met houden van. De IJssel, de uiterwaarden, ja dat ging heel goed. Toen werd ook al gauw de taal een object, en na jaren pressing spelen heeft hij nu waarachtig zelfs het Wilhelmus veroverd. ‘Er komt een tijd dat ik dat liedje ook moet leren’ berichtte hij zijn lezers op een 4de mei, en wat bleek? ‘Het is een prachtig gedicht dat om de vrijheid gaat’, en dat niet alleen. Het lied gaat ook over de uitgewekenen, die met bloedend hart het land hebben verlaten, en over de zekere terugkeer, ‘terug naar je eigen bomen, eigen huiskamer. (27)’ Een lied kortom waarvan je kunt gaan houden.

Maar hoe zit het met de mensen? Over ‘de Hollanders’, de ‘witten’, ‘de Nederlanders’, hoor je niet altijd lieve dingen. Zij hebben het land in handen en geven het niet af, en dat zij vroeger al niet deugden blijkt uit de slavernij. Maar dat is eigenlijk geen kunst. Dit gaat niet over een zij, dit gaat over een het. Met werkelijke mensen zit het een stuk ingewikkelder.
Het volgende verhaal heb ik altijd typerend gevonden voor de manier waarop veel Nederlanders antiracistisch zijn. Het zoontje van een vriendin vertelde over kinderen in zijn nieuwe klas. Onder anderen had hij gespeeld met Bobby. Wie is Bobby, vroeg z’n moeder. Dat is dat jongetje daar, in dat rooie truitje, zei hij. En weet je wat nou zo leuk was, vertelde zijn moeder later. Bobby was het enige zwarte jongetje in die hele groep! Ja, dat snap ik zeker, waarom dat zo leuk was. Niet omdat een truitje nou zo belangrijk is; juist niet. Dat truitjes onbelangrijk zijn weet iedereen. Daarom kun je die veilig noemen. En dat andere niet, want daar zit iemand wel aan vast, maar tegelijk zegt het niks over wie hij is. Vandaar: het jongetje in het rode truitje is OK. Zwart was hier niet relevant geweest en hoefde dus ook niet genoemd te worden.

Er zijn mensen die dan tegenwerpen dat dit nou typisch zo’n staaltje dan politiek correcte dan wel ‘Nederlandse’ ontkenning is. Immers: huiskleur is altijd relevant, zegt men dan, zo zit de mens, dan wel de maatschappij, nu eenmaal in elkaar. Ik weet het niet. Soms wel, soms niet, soms meer, soms minder. Hoe minder hoe beter, toch? Aan de andere kant, er wordt natuurlijk soms een verschil ontkend, ter wille van de menselijke omgang, waar die ander behoorlijk mee kan zitten. In de roman van Scott Turow waaruit ik eerder al citeerde is zo’n scene opgenomen. Die speelt in 1969, in Californie, waar de hoofdpersonen toen studeerden. Hobie is geflipt, in die passage. Nooit, nooit, nooit komt het meer goed met hem en altijd altijd altijd is er die pijn, en daarom kan iedereen niet zelf niet zwart is opdonderen. Hij breekt met zijn vriendin, die wit is, hij doet zijn hond weg, die wit is, en voegt zich bij de Panthers, die helemaal, totaal, rücksichtlos, zwart zijn. Zo! Dit is blijkbaar hoe ze het hebben willen, en zo zullen ze het dus krijgen. En Seth, ineens ook vreselijk wit, zegt ja maar Hobie, weet je nog, ik ging toch altijd demonstreren met je vader en jij liep niet eens mee! ‘Don’t tell me about that!’, ontploft zijn vriend. ‘Kom me met dàt verhaal niet aan! Vind je soms dat ik dank je wel moet zeggen omdat jij langs de straten liep om mensen te vragen niet zo gemeen te doen! Wat deed je nou helemaal man, dat was gewoon luchtje scheppen, meer niet. (28)’ Maar dankbaar nee, dat had Seth dus niet bedoeld. Wat hij gedacht had was dat ze voor hetzelfde stonden. Maar dat was volgens Hobie nu nooit zo geweest.
Het verhaal van die demonstraties kan dus ook al niet. Wat kan eigenlijk wel? Op een keer zaten we in de bus naar Harlem. En wat ik nog nooit live gezien had gebeurde daar, de ene kleur stapte uit, en de andere in. Bij elke volgende halte werd de bus donkerder, en op het eindpunt zaten wij in onze lichte kleur compleet te kijk. Wat zoek je daar ook, hadden bepaalde mensen elders gevraagd, en hier voelde je dat sommigen hetzelfde dachten: wat zoek je hier eigenlijk. Maar hoezo wat zoek ik hier, wat krijgen we nou? Mag ik soms James Baldwin ook al niet meer lezen? Ter kerke gaan met hem in zijn gebied, is dat verboden? Nee, dat mocht natuurlijk best. We werden met alle egards behandeld. Dus ook niet dàt verhaal, alsjeblieft.
Ik weet nog een verhaaltje dat misschien wel kan. Het gaat over een grote beroemde keeper die aardig was voor een klein meisje. Zij keepte ook en vereerde hem. En op een keer ging hij samen met haar op de foto, en later kreeg ze ook nog een handschoen van hem, met handtekening. Stanley Menzo ja, dat is een goed verhaal.

Dat is het lastigst

Niet lang nadat hij ‘wat men altijd noemde schoonheid schoonheid’ haar verbrand gezicht gegeven had liet Lucebert, de dichter, in het gemoed van Nederland een grote norse neger neer. Dat ging zo:

er is een grote norse neger in mij neergedaald
die van binnen dingen doet die niemand ziet
ook ik niet want donker is het daar en zwart

maar ik weet zeker hij bestudeert er
aard en struktuur van heel mijn blanke almacht

hij morrelt eerst aan halfvermolmde kasten
dan voel ik splinters schieten door mijn schouder
nu leest hij oude formulieren dat is het lastigst
te veel slaven trok ik af van de belasting (29)

Deze tekst is van 1957. Dus Droogstoppel zou onmiddellijk weten: dat kàn niet! Iemand die in dat jaar leefde en schreef kòn er geen slaven op na hebben gehouden. Alles gekheid en leugens dus, zoals gebruikelijk bij dichters, maar deze maakt het met zijn valse opgaven wel heel erg bont. En als hij dan toch zo flink is om zijn oplichterij aan de grote klok te willen hangen, waarom schopt hij die snuffelaar er dan niet uit?
Ja, wat is dat eigenlijk voor een type, die ik in dit gedicht? Net zo’n soort ik, lijkt me, als die ick uit het Wilhelmus; een dus die moet spreken voor de natie, op een bepaald moment. In het Wilhelmus was die ick nog uit een stuk; hij wist wat hem bezielde. Die ik bij Lucebert weet dat niet meer. Dingen die het daglicht niet verdragen gaan om in zijn verleden waar nu die man naar kijkt. Buiten hem wordt er in zijn binnenste gesnuffeld, gestudeerd en gemorreld, en god weet waar het allemaal toe leiden moet.
Die neger, aan de andere kant, zijn er volgens mij twee: de wreker en de morrelaar. De een komt recht opeisen, de ander komt twijfel zaaien. De een heeft een politiek programma: weg met het racisme en het kolonialisme. Maar de ander beweert dat het zo simpel niet ligt; die wil weten wat er aan de mens mankeert. Wat dat betreft laat het vers zich, zoals veel wat Lucebert schreef, lezen als een prelude op de jaren zestig, toen die vermolde kast het eindelijk begaf en in blije triomf naar de vuilnis werd gedragen. Maar het morrelen, het zoeken naar gebreken, ging intussen gewoon door. Alles was leugens, alles was ontkenning. De tijd dat mensen nog geloofden dat ze zichzelf metterdaad bestuurden was voorbij: dat had de 20ste eeuw wel voor elkaar gekregen.

Nu tegenwoordig zegt men weer vaker: ja maar. Alles goed en wel, maar met het onderbewuste worden geen grondwetten geschreven. We hebben dat verstand toch niet voor niks. Het blijkt te kunnen werken. Dus als die norse man wat wil dan komt hij wel naar boven. En dat doet hij dus inderdaad. En waar hij mee komt is, precies zoals de dichter zei, de slavernij. Daar zit Nederland dus mee.
Aan de ene kant is dit niet meer het land van 1865 en daarvoor. Je kunt gewoon niet doen alsof dat wel zo is. Ter illustratie: ik had een proefschrift gemaakt over getalskennis, en dat moest ik verdedigen in het publiek. Dat lukte me dus wel. Maar verbeeld je nu een dat er plotseling vanachter een pilaar een man naar voren was gestapt, wapperend met een proefwerk van mij uit de tweede klas. Kijk hier, een 1, voor algebra! O ja, ik weet het nog, dat was een ramp. Geen vraag had ik toen goed. Maar had die man daarmee nu aan het licht gebracht dat ik er eigenlijk geen lor van snapte? Nee, zulke eigenlijks bestaan dus blijkbaar niet. Het enige wat je kunt zeggen is: toen niet, nu wel. Blijkbaar heb ik intussen iets geleerd. Me dunkt, dat kan een land ook zeggen. Het weet meer, het gedraagt zich anders, het heeft zichzelf aanzienlijk beter geprogrammeerd.
Wat desondanks blijft staan is de verantwoordelijkheid. Ja, deze dingen heeft het land op zijn geweten, ook al bestonden wij toen nog niet. Hoe individuen zich tegenover zulke schulden verhouden, of willen verhouden, kan een ander niet voor hen beslissen. Dat hangt van zoveel dingen af. Zuivere opgaven, daar gaat het om. Dan zal wel blijken wie straks zeggen wil: ons land.

Maar eerst werd er in de zomer van het jaar 2000 weer gevoetbald, en zelf de allernorste man (een rol voor Frank de Boer?) kwam, voor het feest werd afgebroken, al even los. Er was iets neergedaald in Nederland, en het was oranje. Tante Santje zwaaide nu zelfs met een sjaal, nog steeds niet veel begrijpend van het spel, maar wel van de gezelligheid. En dat allemaal om haar neef! Hoewel, waar was die jongen eigenlijk? Nou ja, er liepen er genoeg, en kijk! Hij gaat er in. Ook de Volkskrant ging na Joegoslavië uit haar dak. ‘Auto’s toeteren als Turken. Het zijn ook Turken’, noteerde Sietse van der Hoek.(30) NRC Handelsblad was gaan kijken of ook de Surinamers wel flink juichen en bracht tevreden rapport uit. Ja, er was veel blijdschap in die tent, vooral bij Sar z’n buiging. En op de tribunes? Daar zitten ze ook, verzekerde men de verslaggever, alleen je ziet het niet, want alles is oranje.(31) Toch een triomf, voor deze jongens in hun truitjes.


  1. Zie NRC Handelsblad van 30 maart, 1998. Van deze auteurs is 54 procent vrouw. Niet meegerekend zijn de miljoenen schrijvers van brieven en dagboeken. Volgens de Stichting Schrijven schrijft 52 procent van de Nederlandse bevolking boven de zestien jaar. Slechts een klein deel daarvan (293.326 mensen) wil uitgegeven worden.
  2. Zie Gerard Dekker, Joep de Hart en Jan Peters: God in Nederland 1966 – 1996, p. 138. Een uitgave van Anthos, RKK en KRO.
  3. Zie NRC Handelsblad van 13 maart 1999. De interviewer was Sjoerd de Jong.
  4. Zie de Telegraaf van 29 juni 2000.
  5. Het citaat komt uit ‘Je moet schieten, anders kan je niet scoren’ en andere citaten van johan Cruyff, verzameld door Henk Davidse, p.57. Uitgeverij BZZToH, ‘s Gravenhage, 1998. Zie voor meer uiteenzettingen van hetzelfde idee de gebundelde interviews door Barend &Van Dorp, verschenen onder de titel Ajax Barcelona Cruyff, het ABC van een eigenzinnige maestro. Uitgeverij Vassalucci, Amsterdam 1997.
  6. Opzoeken! Verwijzing naar stuk in Wason and Johnson-Laird (1982?). Thinking: Readings in Cognitive Science. MIT-press?
  7. Zie Lucebert, Gedichten 1948-1963, p. 75. Uitgegeven door De Bezige Bij, Amsterdam 1965. Met De schoonheid van een meisje opent de afdeling De analphabetische naam van de bundel Apocrief / De analphabetische naam, die sinds enige jaren ook weer los verkrijgbaar is.
  8. David Endt: Twintig brieven aan Frank Rijkaard en één brief terug, pp. 124-125. Thomas Rap, Amsterdam, 1991.
  9. Zie De Volkskrant, 17 maart 1999.
  10. Zie Kees Fens’ inleiding, Een portret als legkaart, bij de bundel Zo ik iets ben, ben ik een Hagenaar. Louis Couperus in eigen woorden, p.5. CPNB, 1974.
  11. Opzoeken, een paar gegevens. Zie de briefwisseling tussen deze auteurs, verschenen bij Van Oorschot.
  12. Waar? NRC? Het verslag van een bijeenkomst met lezers? Elsbeth vragen?
  13. Marx, waar? Joodse vraagstuk? Opzoeken! Ien Ang, Dallas, idem. Een beetje uitleg hier misschien, want dat is wel leuk.
  14. Hier moet een verwijzing naar zowel de AFC-ers als Hoe de Katjangs etc. Ook wanneer het eerst verschenen. En misschien die vergelijking met de Salinger-mensen? De Glass menagerie? Why not.
  15. Zie de Volkskrant van 4 juli 1998. Daarin staat ook te lezen dat 72 procent van de Nederlanders de bewuste wedstrijd volgde.
  16. David Endt: Twintig brieven aan Frank Rijkaard en één brief terug, p. 120. Thomas Rap, Amsterdam, 1991.
  17. Zie De Volkskrant, 6 juli 1999. De cursivering is van mij.
  18. Zie De Telegraaf van 26 juni 2000.
  19. Scott Turow, The Laws of our Fathers, p. 425-426. Warner Books, New York, 1996.
  20. Ik herinner me een column waarin dat stond – maar lang geleden. Nog te vinden?
  21. Opzoeken, welke pagina.
  22. ‘Seedorf: wij zijn door niemand te breken’. Verschenen in Obsession, 2de jaargang nummer 3, oktober/november 1997, p. 34-38.
  23. Het Parool, 11 oktober 1997.
  24. Het Parool, 13 oktober 1997.
  25. Dienke Hondius, Gemengde huwelijken, gemengde gevoelens. Aanvaarding en ontwijking van etnisch en religieus verschil sinds 1945. SDU-Uitgevers, Den Haag.
  26. ‘Ik ben symbool voor ’t nieuwe Nederland’, De Volkskrant 8 november 1997.
  27. De Volkskrant, 4 mei 1998.
  28. Zie noot 19, pp. 266-267.
  29. Lucebert, Er is een grote norse neger. Oorspronkelijk verschenen in Maatstaf, december 1958/januari 1959, en opgenomen in de bundel Val voor vliegengod. Zie Gedichten 1948-1963, p. 263, uitgegeven door de Bezige Bij in Amsterdam of Verzamelde gedichten 1974, p. 309, ook van de Bezige bij.
  30. De Volkskrant, 26 juni 2000. De openingskop mag er ook wezen. Die luidde: Kluivert met vier, nee, drie treffers ‘man of the match’.
  31. NRC Handelsblad, 26 juni 2000.

Nederland O Nederland (PDF)